Wet betalingsachterstand bij handelstransacties gewijzigd

Als advocaat kunnen wij u meedelen dat dankzij de omzetting van de Europese richtlijn over betalingsachterstand bij handelstransacties (Europese richtlijn 2011/7/EU) een duidelijk kader gecreëerd werd waarbij de positie van ondernemingen werd versterkt. Deze omzetting gebeurde door de wet van 22 november 2013 (BS 10 december 2013). Te lange betalingstermijnen hebben immers een negatieve uitwerking op de liquiditeit van onze ondernemingen.

De oorspronkelijke wet op de betalingsachterstand van 7 augustus 2002 werd hierdoor gewijzigd. De voornaamste wijzigingen betreffen de regeling van betalingstermijnen, de verhoging van de referentie-intrestvoet, de invoering van een bijkomende forfaitaire schadevergoeding en tenslotte worden ook regels ingevoerd voor overheden.
In het verleden was het steeds toegelaten om de toe te passen intrestvoet bij laattijdige betaling, en de schadevergoeding ( schadebeding ) contractueel overeen te komen. Gemakkelijkheidshalve werd dit gewoon opgenomen in de algemene voorwaarden op de factuur van de schuldeiser. De rechtbanken aanvaardden deze werkwijze maar beperkten deze intresten meestal tot 10% intresten per jaar en tot 10% schadevergoeding.
De wet tot bestrijding van handelstransacties van 7 augustus 2002 werd toegepast wanneer contractueel niets voorzien was.

De nieuwe wet heeft voor een aantal verdere beschermingen van de ondernemingen gezorgd.
De nieuwe wet regelt de betalingstermijnen. Tussen ondernemingen is het nog altijd toegelaten om een contractuele betalingstermijnen te voorzien. Indien niets voorzien wordt, is de betalingstermijn 30 dagen. Bij overheden mogen de contractuele betalingstermijnen nooit meer dan 60 kalenderdagen bedragen. Indien niets werd voorzien is de betalingstermijn eveneens 30 dagen.

In de nieuwe wet blijft het mogelijk om een contractuele intrest en schadevergoeding overeen te komen. Indien er contractueel niets overeengekomen werd, heeft de schuldeiser nu recht op een bijkomende forfaitaire schadevergoeding voor de eigen invorderingskosten. De schuldeiser heeft vanaf nu van rechtswege (en zonder aanmaning) het recht om 40 euro aan te rekenen voor de eigen invorderingskosten.

In de nieuwe wet wordt ook de intrestvoet worden verhoogd. In de oude wet werd deze berekend op basis van een ECB rentevoet, verhoogd met zeven procentpunten. In de nieuwe wet is dit opgetrokken naar acht procentpunten. Wordt die wettelijke betalingstermijn niet nageleefd dan heeft het bedrijf van rechtswege (automatisch) en zonder voorafgaande ingebrekestelling recht op deze verwijlinteresten vanaf het verstrijken van voormelde wettelijke betalingstermijn tot de dag van de volledige betaling van de openstaande factuur. Bij handelstransacties waar een overheid tussenkomt als schuldenaar, zal steeds de intrestvoet uit de wet van toepassing zijn; het is dus niet meer mogelijk om contractuele intresten toe te passen.

Naast de forfaitaire schadevergoeding en de intresten heeft de schuldeiser ook nog recht op “redelijke schadeloosstelling voor alle andere invorderingskosten”. In de wet wordt enkel gesteld dat rechtsplegingsvergoedingen in ieder geval tot deze categorie behoren. Hoewel er verder geen verduidelijkingen worden opgenomen, vallen waarschijnlijk ook alle andere contractuele schadevergoedingen onder deze bepaling, op voorwaarde dat ze billijk zijn.